25 mei 1980

Ik was, waar wilde beesten ontbraken, kille kooien de baas en
kerfde wat ik kreeg met mijn naam in de bedden en ramen,
ik zetelde met zeezicht, flitste azen in een oase,
at truffels in rokkostuum; weet ik veel wie er daar waren?

Boven bij de gletsjer overzag ik de helft van de aarde.
Ik ben tweemaal verdronken, werd driemaal gestoken met dolken.
Het land waar ik opkwam verveelde me, heb ik verlaten.
Met wie me vergaten kun je een stad vol bevolken.

Ik waadde door steppen waar Hunnen lawaaiig verkeerden,
droeg kleren die nu overal wel weer kunnen gedragen,
ik zaaide rogge, was druk om de stallen van varkens te teren
en slurpte van alles naar binnen, behalve droog water.

Goor liet ik in mijn dromen doorkomen het derde oog van de wachters.
Kauwde het brood van de ballingen, brokkig, oudbakken.
Uit mijn longen weerklonk elk geluid, maar nimmer gejammer.
Ik ging over op fluisteren. Ik heb de veertig te pakken.

Wat zeg ik dan van mijn leven? Het is lang, doorkijkjes ontwijk ik,
Het breken van eieren? Triest. Omelet laat me braken.
Maar totdat de bruinige klei ooit mijn keel al voorbij is,
blijf ik uitsluitend kreten van dankbaarheid slaken.

Joseph Brodsky


Geplaatst op

november 2023

Inzending Facebook Vertaalwedstrijd 152