’t Is nog niet eens ochtend, begin van de winter,
Ik schrijf je, nieuwsgierig naar jouw welbevinden.
New York is koud, maar ik vond hier mijn haven.
Op Clinton Street hoor je muziek, heel de avond.
Ik hoor dat je je nu iets in de woestijn bouwt.
Je leeft er nu vrij. Ik hoop dat je dat bij houdt.
Ja en Jane kwam aan met een lok van je haar.
Je gaf die, zo zei ze, aan haar,
Verlichting, daar streefde je naar.
Kwam dat echt voor elkaar?
De laatste keer dat ik je zag leek je ouder,
het blauw van je jas was gescheurd bij de schouder,
Voor iedere trein ging je naar het station, maar
Lili Marlene heb jij niet gevonden.
Je deed mijn vrouw af als een pluis op je jas,
Terug bleek dat zij nu van niemand meer was.
Nu zie ik je daar met een roos in de mond,
Scharrelaar, vagebond,
Ik zien dat Jane is ontwaakt.
Ze doet je de groeten.
Wat kan ik je zeggen, mijn moordenaar, broeder,
Wat rest er nog dat ik zeg?
Ik mis je, vermoed ik, vergeef je, dat moet ik,
Dank, je stond mij in de weg.
Zou je ooit komen, voor Jane of voor mij,
Weet, je vijand, hij slaapt en zijn vrouw, ze is vrij.
En bedankt dat je haar van haar zorg heb bevrijd.
Ik dacht dat het blijvend was, liet het erbij.
Ja en Jane kwam aan met een lok van je haar.
Je gaf die, zo zei ze, aan haar,
Verlichting, daar streefde je naar.
Hoogachtend. W.v.d.Vegt
Leonard Cohen