Aan Mathilde

De ruiker die Mathilde voor me plukte,
met bange glimlach in mijn handen drukte,
ik wees hem af – ik gruwelde spontaan.
Kan ik nog ooit de bloei van bloemen aan?

Zij zeggen mij immers dat ik niet langer
dit mooie leven aan kan blijven hangen.
Ik zal vervallen tot het dodenrijk,
ik arm, nog onbegraven lijk.

Als ik die bloemen ruik, dan komen
met veel geweld mijn tranen stromen.
Ach, schoonheid, zon en lust en lieven,
terwijl slechts tranen mij gerieven.

Het deed me wat, dat ik op een dag
dansende ratten in de opera zag.
Ik hoor het slurpgeluid al dat
de grafmol maakt of de kerkhofrat.

O bloemenparfums, in uw spoor
een heel ballet en een groot koor
van geurende herinneringen,
die zo ineens tevoorschijn springen.

Met castagnetten en cymbalen
en rokjes die de knie niet halen;
maar dat gegiebel en gekwebbel,
ik kan het werkelijk niet hebben.

Weg met die bloemen. Ik kan niet verdragen
wat ruikt zoals in vroeger dagen,
want het vertelt vilein dit drama goed:
dat ik als ik aan haar denk huilen moet.

Heinrich Heine


Geplaatst op

juli 2023

Bijdrage Weerklank