Ik moet wel denken aan de tijd dat wij
opgroeiden, een paar knopjes, dicht bijeen,
die kusten, zelfs al trilde slechts een bij,
als wat er was aan afstand dan verdween.
Hij was de oudere, een kleine vent,
een meter hoog, als vanzelfsprekend stoer,
ik, meisje, dat zoals een puppy rent,
bleef achter bij het voetspoor van mijn broer.
Wijs vond ik hem, wanneer hij mij verhaalde
van slangen, vogels, van wat God behaagde.
Ik dacht dat wat hij wist de grens bepaalde
waar mensen blind werden, engelen zagen.
Bij “Stil” wist ik mijn adem in te houden.
En zei hij “Kom”, dan kwam ik, vol vertrouwen.
George Eliot