Jeugd slaapt in een kamer op de veranda,
dicht bij de muur in een ijzeren bed,
waar winter over de reling de luiken
deed zwellen tot tegen de houten staanders
en splinters warm linnengoed deden pluizen,
en sterren boven de heuvel stonden;
één muur van de kamer was toen bos
en alles daarbinnen moest nog gebeuren.
Adem kwam de veranda opgekropen,
wanneer donker vee tegen een hoek schurkte
en soms stond een vage toren van regen
voor bos, een droge grot voor opgetaste wol.
Binnen het bos schenen lichtjes
langs het pad naar de bedding onder sterren,
verder weg nooit omheind terrein,
het volle drasland ervan omsingeld
door dieren en vogels, een luidruchtige korst,
en iets bleef maar tussen hen opspringen.
En daarbuiten hing, klaar om aan te gaan
als donker haar aantrof, in het daglicht de maan.
Les Murray