De sneeuwpop daar te zien, zo heel alleen,
in kou en schemering, valt hem maar zwaar.
De kleine jongen huilt om het gevaar
van wind, die ’s nachts te keer gaat, gromt en weent.
Betraand heeft hij vrijwel geen zicht op waar
de vale vorm met zijn bitumen blik
al net zo godverlaten naar hem staart
als Adam ooit (het paradijs ging dicht).
De man van sneeuw is niettemin content.
Voor binnengaan, sterven, is hij niet in.
Wel raakt hem ‘t huilen van de jongeling;
bevroren water is zijn element.
Hij smelt en uit zijn zachte oog ontspringt
een straaltje regen, tranend langs zijn wang,
voor ’t kind achter het helder raam, omringd
door warmte, licht en liefde; maar zo bang.
Richard Wilbur