Aan het begin van de zevende week
begon mijn grote hoofdwond te genezen.
Elk dorp verstild, het dal niet meer zo bleek.
Verblijd zweeg ik, ik dorst niet te bewegen.
Tijd deed zijn arbeid als bekwame leek.
Voortdurend ging mijn geest bij Troje aan.
Na mijn zeereis vocht ik aan beide kanten
om beurten. Elk met Helena begaan,
om waar ze was – en dat deed Troje branden –
als Neoptolemus, koppig kompaan.
Ik lag en hield de rust volgens recept.
Trok met de Grieken op, of was geregeld
met Hector aan de slag. Mijn rustplaats werd
de hoofdtent van Achilles, waar die vlegel
Thersites meldde wie ’t niet had gered.
Ik was mezelf, van niemand onderdaan.
Mijn eigen commandant als mijn belager.
Mijn schede, zwaard en gordel afgedaan.
Thersites kwam, kakelde buiten adem
dat mijn vriend Patroclus was heengegaan.
Ik vroeg een pantser, stond met strak postuur.
Maar woede woei met kracht in mijn gedachten
om zijn edele kwelling. Mijn kwetsuur
barstte prompt breeduit open; en weer wachtten
mijn diep-verlichte kloven op hun kuur.
Thom Gunn