‘t Is tijd voor thee. Met kalm gekabbel klotst
de vloed op in de zon gedroogde rots,
vormt, bijna te sloom om te komen, te gaan,
landtongen, rond, rozig, zuinigjes aan.
Water, vergrootglas voor schelpen en zand,
kleurt groen, als groeit er smaragd op het land.
Op bruine, beschaduwde vlaktes eronder
worden wuivende wouden van zeewier gevonden.
Vlak voor mijn voeten in het lage gras
liggen schelpen, droog blaaswier, gebroken glas,
bleekblauwe zeekraal en steengele rozen.
De volgende bergrand waarop we verpozen
toont voor schapen een laatste grazige weide.
En, zelden te zien in zo zomerse tijden,
ver naar het oosten, haast onopgemerkt,
steekt Snowdown af tegen parelgrijs zwerk.
Veelstemmig vogelkoor, fluisterend buigen,
waar het tijmig en turvig en zoutig blijft ruiken,
en inlopend, instromend, sprankelend vrij
het rustig geruis van het opkomend tij.
John Betjeman