Lang kuste hij de grond waarop ze liep.
Zij schreed en als haar schaduw volgde hij.
Zij sprak en hij bewaarde wat zij zei.
Slechts waar zij zwom was het hem vaak te diep.
Weer uit het water kwam hij als ze riep.
Zij reed, ze vloog, hij bleef altijd dichtbij.
Hij warmde zich aan haar, elk jaargetij.
Zij had een ander lief in het geniep.
Haar magnetisme stootte hem nu af.
Alles wat aan zijn leven vreugde gaf
werd zo onecht, beschadigd en geschonden.
Hij zong, maar vals, zag alles grijs en zwart.
Hij dacht niet meer rechtuit, enkel verward.
Hij kon zijn volgzaamheid niet meer doorgronden.