Herfst. De ochtend is vol nevel.
Vogels buiten geven aan
dat het winter wordt, nog even
voor ze naar het zuiden gaan.
Ik voel de wind met hun gesprekken.
De zon gaat onder en ik groet
de vogels, zie hoe ze vertrekken,
een warme hemel tegemoet.
Ik blijf hier wachten op de winter
en ik moet kou en ijs weerstaan.
Ik loop onder de kale takken.
Waarom ben jij toch weggegaan?
Het echoot in de lege kamer.
Stuk zingt de deur een laatst gezang.
En als het stiller wordt, dan stamelt
de vloer vol vuil en stof: “Hoe lang?”
Ik blijf hier wachten op de winter
en ik moet kou en ijs weerstaan.
Ik loop onder de kale takken.
Waarom ben jij toch weggegaan?
Tijd wordt het voor mijn winterkleren,
ik wapen me tegen de kou.
Van vorst en vuur kon ik nooit leren
dat je altijd die onrust houdt,
dat je altijd die onrust houdt.
Harvey Andrews