Ik schrijf gedichten doorgaans in gedachten,
en zie ik wat ik uit die krochten wrochtte,
dan kan ik het of dankbaar accepteren
of ik probeer het later nog een keer.
Soms speelt mijn lichaam uit zichzelve op,
begint mijn hoofd spontaan enorm te bonken,
of lijkt mijn rechteroog in bloed verdronken,
branden mijn tanden, hoop ik dat het stopt.
Het lichaam wil ik graag het liefst negeren,
zelfzorg is voor mij hersengymnastiek.
Maar soms zie ik mijn kleren protesteren
en blijkt mijn omvang wel weer wat kritiek.
Soms blijkt de wereld wel bijna volmaakt.
Ik ondersteunde met bretels mijn broek
en trof al bij het eerst toiletbezoek
voor jas en trui zowaar een handig haakje.
Ik tel mijn stappen, neem doorgaans de trap en
ik slik de prikken, heb erin geloofd.
Mijn diabetes blijft nog te behappen.
Tijd voor een vers. Terug weer naar het hoofd.