Ik droomde van bonte bloemen,
zoals die wel bloeien in Mei.
Ik droomde van groene weiden,
vol vogels, zo vrolijk en blij.
En toen de hanen kraaiden,
stonden mijn ogen strak.
Want in de kou, het duister,
klonk ravengeschreeuw van het dak.
Maar wie heeft op het venster
de bloemen aangebracht?
Je lacht wellicht om de dromer
die ‘s winters nog bloemen zag?
Ik droomde van liefs voor liefde,
een mooie jonge meid,
van harten en van kussen,
van zalige heerlijkheid.
En toen de hanen kraaiden
stond mijn hart strak en stug.
Nu zit ik hier maar eenzaam,
denk ik aan mijn droom terug.
Ik sluit opnieuw mijn ogen,
mijn hart klopt nog zo warm.
Zal ‘t blad op het raam ook groen zijn,
als ik ooit mijn liefje omarm?
Wilhelm Mueller