In stromen ijle dromen, niettemin
ons onbekend, wij, druk in hoofd en voet,
altijd gehaast, altijd wel iets dat moet,
neemt zij ’s avonds alleen de kamer in.
Niet als het stenen beeld van een godin,
maar vluchtiger, alsof je onverhoeds
diep in het bos een lamia ontmoet,
een zelfgeschapen zinsbegoocheling.
Geen overdenking, blij of juist kortaf,
verstoort haar lippen of beweegt haar hand;
koologen schermen haar geheimen af,
buiten de kring van onze geest beland.
De vogel op zijn stok kijkt naar haar om,
geduldig, stil, nieuwsgierig; een spion.
T.S. Eliot