Scherp, als de zijkant van de grasspriet die een vinger open snijdt:
reproductie van Co Westerik, die in mijn verleden tijd
in de trein hing en waarnaar ik maar bleef staren keer op keer,
en tenslotte deden zelfs mijn eigen vingertoppen zeer.
Onlangs overleed die schilder, wat resteert is nog dit beeld
dat soms op de gekste tijden weer met mijn gedachten speelt.
Maar soms helpt die scherpe pijn juist mijn geest om scherp te zijn.
Scherp, als het eten in het kleine Indiase restaurant
waar we op die keer in Londen samen waren aanbeland.
“Mildly hot”, zeiden ze sussend, maar mijn tranen droogden slecht
en de vlammen in mijn slokdarm voelde ik maar al te echt.
Zodat ik uitsluitend brood at, ’s avonds later chocola,
en daarna nooit meer verlangde naar een reis naar India.
Maar soms helpt die scherpe pijn juist mijn geest om scherp te zijn.
Scherp, als de tekst waarmee een cynische en zure recensent
al zijn ergernis en woede in de krant heeft neergepend,
zodat ik mijn broze zelfbeeld weer in diggelen zie gaan.
Was het echt zo slecht? Ineens twijfel ik overal weer aan.
Alle vondsten, alle beelden, worden flets en dof van kleur
en mijn wel doordachte opbouw lijkt nu louter willekeur.
Maar soms helpt die scherpe pijn juist mijn geest om scherp te zijn.
Scherp, scherp wanneer mijn redeneren leidt tot inzicht, nu en dan,
als een puzzel die te moeilijk lijkt maar plotseling toch kan,
als een jarenlang vermoeden voortaan sluitend kan weerlegd,
als je goed kunt laten zien wat of er krom is en wat recht,
als je niet alleen gelijk hebt, maar dat ook nog wordt erkend,
als het leven even heel lijkt, redelijk en consequent.
Soms het helpt om scherp te zijn; meestal doet die scherpte pijn.