De zaag snerpte en tierde in de tuin,
hij maakte stof, liet kachelhoutjes vallen,
zoet geurend als de wind erover streek.
Vandaar zag je als je je ogen opsloeg
vijf bergketens, telkens achter elkaar,
de zon ging onder, ginder in Vermont.
De zaag snerpte en tierde, snerpte, tierde,
of hij nu licht liep of een last moest dragen.
Niets aan de hand, de dag liep op zijn end.
Wel mooi geweest, ik wou dat ze dat hadden
gezegd, om zo de jongen te verrassen
met een half uurtje vrij, zeer gewaardeerd.
Zijn zus ging naast hem staan, ze droeg een schort
en meldde “ Eten”. Dat woord deed de zaag
opspringen, alsof zagen dat woord kennen,
op uit de jongenshand, althans zo leek het –
Hij strekte arm en hand uit. Hoe dan ook,
geen weigerde het aanbod. Maar die hand!
De jongen schreeuwde eerst wat treurig lachend,
terwijl hij zwaaide en zijn hand opstak,
half als protest, half ook om het wegvloeien
van leven te voorkomen. Toen doorzag hij –
Al oud genoeg voor inzicht, grote knaap,
volwassen werkkracht, in zijn hart een kind –
Alles verpest. “Laat niet mijn hand afhakken –
wanneer de dokter komt, laat dat niet doen, zus!”
Duidelijk. Maar de hand was al verdwenen.
De dokter schonk het donker van de ether.
Hij lag, de adem deed zijn lippen bollen,
en toen – iemand voelde zijn pols en schrok.
Het ongeloof. Luisteren naar zijn hart,
weinig – nog minder – niets. Dat was het einde.
Niets meer om op te bouwen. Zij vervolgden,
want niet die ene dode, wat ze deden.
Robert Frost