O de zusters van liefde, ze zijn nog altijd in de stad.
Ze wachtten me op, toen ik flink in de lappenmand zat.
Ze gaven vertroosting, ze gaven me later dit lied.
Jij bent al zo lang onderweg, ik hoop dat je ze ziet.
Ja, laat alles achter waar jij zelf geen invloed op hebt.
Allereerst je gezin, en al snel zit je ziel in dit web.
Wel, ik hing waar jij hangt en ik weet wel hoe jij zit bekneld,
dat eenzaamheid jou nu uitsluitend je fouten vermeldt.
Ze lagen vlak bij me, ik heb hen mijn zonden gebiecht.
Ze raakten mijn ogen aan, ik slechts de dauw van hun licht.
Is leven een blad, zal het met de seizoenen vergaan,
dan bieden zij houvast, de stam waaruit al kan bestaan.
Ik ging toen ze sliepen, ik hoop dat jij er langs zult gaan.
Je leest hun adres in het maanlicht, je licht hoeft niet aan.
Ik word niet jaloers als ik hoor dat jouw nacht werd verzoet.
Wij waren nooit minnaars, maar anders was het ook wel goed.
Wij waren nooit minnaars, maar anders was het ook wel goed.
Leonard Cohen